180 Lippen-spel.
de zwarte en de witte clown, uit vrees voor hun verbeurde gage, den daaropvolgenden avond het spelletje voortzetten, wat ze ook wel rustig vermeenden te mogen doen voor nog ’n paar dagen, daar een zoo sluimerend en langzaam-groeiend ding als kanker niet op een gehaaste verzorging schijnt aangewezen.
Waren de hout-instrumenten afgeloopen, dan verschenen ze als vanouds met de hand-harmonica’s en het eindje brandende, fel-lichtende sigaar. Het beest-achtig-heete satansche brokje wipte in en uit, heel grappig kiekeboe, kiekeboe, in en uit den mond, over en langs de zieke, gruwelijk-pijn-veroorzakende tong. Ik denk, geachte lezer, en veroorloof mij deze gedachte, zonder vrees u al te zeer te grieven, daar gij waarschijnlijk even graag als ik nekbrekende toeren ziet (verg. pag. 175), dat als gij met mij had geweten dat onze clown, onze kalm-grinnekende clown, zoo dierlijk te lijden stond en elke minuut van zijn veilig doen op de planken hem nader tot den dood bracht, ge nog meer van het geval zoudt genoten hebben, gelijk ge met mij geniet van een acrobaat die op zes waggelende stoelen een hoogstand maakt of van een gymnast, die van het eene trapéze naar het andere vliegt, veiligjes beschermd door een valnet. Een man die geblinddoekt een doodsprong waagt, geeft me de meeste, of liever laat ik zeggen één der meest geraffineerde genietingen. Een man die met messen werpt naar een meisje en haar zoo héél netjes vastspijkert aan een plank, vind ik een beminlijken vent.
Als je bijwoonde dat zoo’n mes raakte — wat