178 Lippen-spel.
tisch (doch niet in het publiek) stak hij zijn tong* uit, bekeek die in ’t spiegeltje. Me gebrand, dacht de clown. En dien avond was hij wederom allergeestigst. Den volgenden ochtend werd de pijn sterker — en laat ik u niet in het onzekere laten — een clown meer of minder op de wereld is geen zaak waarover gij of ik ons het hoofd behoeven te breken — hij had kanker. Dat wil zeggen — hij en zijn vrouw liepen eerst naar een dokter en deze heer constateerde tegen contante betaling dat het niets anders dan kanker zijn kon, gaf als z’n advies dat de historie die toch al voldoen de gevaarlijk was, direct levensgevaarlijk zou worden bij voortzetting van het spel. Nu moet ik echter, op onaangename wijze en alweder mijzelf interrumpeeren. Daar zijn meer dingen op aarde en hierboven dan waarvan een zich vermakend publiek droomt en gelukkigerwijze behoeft te droomen. Men koopt den zèvenden dag een entree. Men drinkt den zèvenden dag z’n biertje. Men heeft ’n gezellig avondje. Vermijde ik de klip der sentimentaliteit: diverse auteurs hebben analoge histories reeds zoo gevoelig en teer beschreven, dat het bijna banaal wordt te verhalen dat toen dien avond de zwarte clown en het slank clowntje het uitbundig slotnummer achterwege lieten, de directeur naar het contract verwees, het contract waarin het eindje sigaar nadrukkelijk was gestipuleerd. Ge zult in uw eenvoud zeggen dat de directeur een hard man was, een soort marqué in zijn vak. Doch ge vergist u. De marqués zijn primo niet meer van dezen tijd — als ze er ooit geweest zijn