Lippen-spel. 17 7
hanssop die z’n zilver-schubben in ’t licht te schitteren zette, den hanssop die bultte en slapte tot naar de fijne kuiten met de rose kousen en witte muiltjes — het vrouweclowntje, bepruikt, bepoederd, beschminkt, het lief gezichtje besmeerd dat haast niet te herkennen was — het radde, beweeglijke, elegante clowntje stapte, zwaaide, sprong, alles even onverwacht om den neger te snappen — en telkens mis, telkens sprong het eindje walmende, heete sigaar als door een veer bewogen in den zwarten, zwijgenden mysterieuzen mond, telkens leek het tusschen de lippen te sissen, telkens opende de nikker z’n sterktandigen muil, wijd-lachend, lach die als een gurgel z’n keel ontwrong — telkens, als ’t slank clowntje zich afwendde, floepte het eindje over de onderlip, spoot de tabakswalm door z’n neusgaten, gierde, grinnikte, lach-schudde het aangenaam-gekie-teld publiek.
Zoo straks waagde ’k te zeggen, dat de Moon-light-singers zich in weinig onderscheidden van meer derglijk muzikale clowns. Maar deze schets zou geen schets zijn en ’t vertellen niet waard, indien ’k geen pointe in reserve hield, om u te doen goutee-ren van de amusement-sensatie welke ’k zooeven aanduidde.
Op een dag — wanneer weet ’k niet en niet dadelijk let je op een bobo, als je eiken avond het applaus der vrindelijk gezeten Burgerij voor ’t grijpen heb — op ’n dag gevoelde mijn muzikale clown een beetje pijn. Hij had al wel is meer iets gevoeld zonder er attentie voor over te hebben. Thans, zeer onaesthe-
SCHETSEN VIII. 12