instrumenten — an ’t slot kreeg je een meer vertoond maar toch machtig komiek spelletje.
Beiden zwaaiden ze hand-harmonica’s, malle gezichten trekkend, het publiek toe-grinnekend, dat van genoegen met lach-bobbeltjes, schater-gilletjes en schater-gebalk antwoordde. Want die verdraaide neger — ’t gepiengel der harmonica’s was bijzaak — verkneuterde de goede lieden met een vurig-lichtend eindje sigaar, dat in z’n mondholte verdween als het vlug, wit clowntje ’m boos bekeek en weer dadelijk uit de lippengleuf priemde als ze voortspeelde.
Dit gaf nu waarlijk een zot effect.
Z’n glimmend zwart hoofd, boven den verflarden vadermoorder, z’n breede roode lippen, z’n glazig-witte oogballen wentelend, verwijdend, wegkrimpend in het zwarte vel, z’n pompadoeren vest met den bengelenden horlogeketting, z’n onsmakelijke platvoeten en ruim plompende broek — alles en alles werkte mee om het grappige van het geval uitbundiger te doen schijnen. Maar toch, het alléénig-kóstelijke sprak, spetterde uit het geheimzinnig brandende, dampende, lichtende eindje sigaar, dat uit de lippentuit spoot, véerde en nauwlijks merkbaar op satansch-gluuprige manier verdween, zóó positief verdween dat als de malle nikker z’n mond opende je niks zag, geen vurig spatje, geen dampje — ingeslikt. Niet ingeslikt. Tóch ingeslikt. Waarachtig daar had je ’t weer! Waar die ’t gelaten had? Nee maar, méér as onbegrijpelijk. Het witte, vrouwelijk poppeclowntje, sierlijk van gebaar, springend en dartiend in den wijden glanzenden hanssop, den