Zwarte Jan van Hein. 171
lijkst beschreef te geraken, de heer Van Maurik, die ons, litteraire vliegen, voor jaren en jaren den strooppot-des-levens, den gerenommeerden strooppot met z’n deugdzaams en gesuikerds heeft afgesnoept.
Echter. Onze koetsier taalde niet naar z’n zweep, trapte niet met z’n hakken (wat ik ook wel eens zag), vloekte niet, raasde niet, ineens knielde hij in de vette, proppige slijkmassa, nam het slappe hoofd van het niet-ademend paard op z’n knieën en begon te huilen. Het was naar en stuitend. Je ziet niet graag 'n man huilen — je loopt zoo.eeuwig rond met je wantrouwens, je niet-gelooven in gevoelens, spontaniteit en eerlijkheid, dat het verrast, verbluft, tot in het oneindige verwondert als een aapjeskoet-sier in de modder hurkt, z’n paard streelt en hardop gaat snikken.
„Kom nou,” zegje geméen-valsch, twijfelendöf-die huilt, öf 't geen komedie, of 't geen toeleg is...
Misschien zijn andere menschen meer ver-maurikt, meer aangelegd voor zoete histories van deugdzame koetsiers...
„Hij heit te hard geloope,” snikte de man: „dan heit-ie die flauwtes wel meer”...
„Mot je daar om huile?”...
„’t Is zoo’n goed beest — hij trekt zoo best”...
„Is-die van jezelf?”
„Nee — van me baas” ...
Nieuwe verwondring.