17 2 Zwarte Jan van Hein.
De koetsier huilt. Het paard ligt onbewogen. En, zelf komen wij zeer sterk onder den indruk — ’s nachts half drie — een eenzame weg — ’n paarde-hoofd roerloos in de modder — ’n starend, vréémd kollend, nat, verschrikt oog, ’n oog dat zonderling-luguber roode spetjes reflecteert van de gulpende, brakende, hijgende vuurklodders boven, ’n oog in den skeletachtigen, ouwen kop, ’n oog in de ontvelde randen, omlitteekend door rauwe plekken waar ’t hoofdstel jaren, jaren, gedrukt en gefolterd heeft — ’n mond met grauwe kwabben — ’n borst met roode striemen — overal bepleisterde wonden — misvormde, knokelige beenen — het heel-droevig, ellendig karkas ...
Terwijl het snikken van den koetsier — het ongewone. ...
Maar een agent komt aangestapt, ziet het gevalletje, snauwt.
„Nou — wat mot dat? Is-ie gekrippeerd, Hein?”
„Nee*....
„Help 'm dan overend, Hein! Je ben toch niet bezopen?"
Achterdochtig kijkt hij den huilenden koetsier aan, grijpt het paard bij de teugels, rukt, trekt. Er komt een flauw gehakkel van de ouwe beenen,
„Leg ’r de zweep over! ’k Sta hier niet voor me lol!"
Rutsch! De zweep striemt zwarten Jan die er maling aan heeft. De agent vloekt — de koetsier vloekt Ik betaal, wandel voort. Een oogenblik later hooren we