170 Zwarte Jan van Hein.
„Alloo! Hoep! Hoep zwarte Jan!...”
Zwaar viel het hoofd in de slijkbulten terug. Je hoorde zelfs niet ademen.
„Is-ie dood?”, vroeg ik — meelijdend.
„Nee — dood is-ie niet. Kuren! Kom zwarte Jan!”...
Jan lag stil in de modder. Z’n mond met het roestig gebit hing loodzwaar in een smerigen plas — z’n eene zichtbare oog starde nattig-glimmend naar de lekkende, kolkende, purperen barstingen uit den schoorsteenmuil.
Toen begon de koetsier hem af te spannen. Den buikriem gespte hij los — het lemoen werd achteruit geschoven — al de geheimzinnige banden en strengen raakten vrij.
Het paard kwam in zijn volle afzichtlijke magerte bloot te liggen — een verschrikking voor de oogen — een lichaam van witgesmeerde, roode schrijn-plekken, een lichaam van oud gelig haar, een lichaam van builen, eeltbuilen en knokels, een lichaam zoo verlept, gebeuld, afgeleefd, zoo énkel wreed, hard geraamte-vleesch dat je er angstig naar keek, angstig en schuw.
Ik dacht dat de koetsier z’n zweep zou opnemen en ’t dier terdege ranselen, zooals gebruikelijk en nóódig is bij die gelegenheden.
Maar tot onze zeer groote verbazing, gebeurde plotseling iets benepen-melodramatisch, iets dat je niet goed meer verhalen durft, uit vreeze in de buurt des heeren Van Maurik, die zóóveel zoets allerzoet-