Zwarte Jan van Hein. 169
een boom zouden belanden, sliep zij zachtekens in, aangenaam getrokken door het paard dat niet wild en den koetsier die niet dronken was. Juist zou ook ik maar gaan tukken — welke infernale zot in ’n koets zal wakker blijven, om over z’n loontrèkkers te peinzen? — juist was ’k op het randje van ’n droom in status nascens, toen het rijtuig-met zachten schok stilhield.
Het was een schok en het was geen schok.
Slaperig keek ik uit het raampje, riep „waarom rij je niet door?” — toen ’k bemerkte dat het paard languit op den slijkgrond lag.
De wielen hadden zéér gemakkelijk tegen het slappe vleesch gebuffeld.
Betere rem, zonder schok, bestaat er niet.
In een oogwenk — als bange passagiers die aan ’t eigen hachje denken — waren we er uit, keken toe. Het dier was gestruikeld over de spoorrails, die daar den weg doorkromden. Het lag met de voor-en achterbeenen over de glimmende staven gestrekt, het lijf in de dikke vale modder, het hoofd in de modder. Geen sterveling te zien. De landweg somberde naar de Meer. In de zwarte dreigende lucht braakte de schoorsteen der gasfabriek vuurgulpen, die als bloedklodders drongen en dreven en weer voortgestouwd werden door nieuwe hijgende vlammen en berstingen.
„Kom zwarte Jan — wat doe je nou,” praatte de koetsier, van den bok gesprongen.
Nijdig om ’t gebeurde, trok-ie grimmig z’n jas uit, bukte, greep het paard bij het hoofd.