168 Zwarte Jan van Hein.
De geheel-onthouders hebben frisch redeneeren. Honderd tegen een dat de meest principiëele kwast- en-slappe-thee-drinker in het geval van mijn koetsier eenige spatjes zou benaderen. Ware ik op ’n bok, ’s nachts laat, in zulk weer, ik zou er waarschijnlijk stevig aan doen en zoo een afgejakkerd paard de mogelijkheid wist.... Maar alweer dool ik, op gevaar daarenboven, het neutraal Handelsblad legio ingezonden stukken van zeer verontwaardigde drank-bestrijders te bezorgen, wier visie van alcohol doorgaans van oorzaken-smetten vrij is.
„Laten we naar de Ringkade lóopen,” zeide mijn metgezellin: „hij is dronken ...”
„Drie kwartier loopen — dank je,” opponeerde ik, en geenszins bevreesd voor accidenten met dit stak-kerig paard, dat waarschijnlijk te lang had gedraafd om nog grillen te debiteeren, laat staan op hol te slaan — wekte ik thans stevig den koetsier, die onmiddellijk beweerde niet geslapen te hebben en èvenmin (dit tot mijne gezellin) gedronken.
We stapten in en stapten voort.
Waarlijk het ging niet roekeloos.
Lantaarnpaal voor, lantaarnpaal na.
Zóo zoetjes en ganschelijk-kalm alsof we in een hobbelende door ’n bakker geduwde broodkar zaten.
De huizen wandelden voorbij, de beregende straatkeien en plassen glimmerden — we schoten op.
En naarmate mijne gezellin gevoelde dat de koetsier te vertrouwen was, dat er geen malheurs zouden geschieden, dat we noch in een gracht, nóch tegen