Er stond nog een rijtuig om den hoek van het plantsoen.
De koetsier zat ingezakt op den bok, ’n vormlooze bonk, zonder hoofd, zonder beenen, zonder leven — enkel wijdplooische mantel en hoed.
’t Water droop van z’n rug, siepte van den glimmenden hoedrand, spoot schichtig-striemend op ’t gelakte dak van ’t koetsje, tegen de doorzweete ruiten, de plompe, gore wielen.
Voorbij en langs en over de lantaren die met verbaasde witte dampjes om d’r glazen kop te adempuffen stond, als ’n burgerjuffrouw in wintermorgen-sjagrijnig-heid, öf als ’n kliek opgewarmde aardappels, öf als — doch zóó je zinnen bouwend brouw je ongelukken in het begripsvermogen der lezers — voorbij deverkou-den-blazende lantaren spetterde, straalde, grauwde, grimde de regen op de kniezige koets, op den hoed waaronder een hoofd moest zijn, op den mantel waarin de aapjes-koetsier te snurken zat. Althans snurk-gerucht knorde ter plaatse van jaskraag en hoedrand.