i 64 Malsche haan.
alsof 't dronken was, vóórbij de bank, over de steentjes en eerst in ’t gras, stuiptrekkend, schokte het neer.
De gele vleugels klepten in ’t bloed, de pooten trokken, de borst bewoog sidderend.
„O” — zei Geertje, bijna huilend de bloedspetten van haar gezichtje vegend.
„O,” herhaalde Dirkje, angstig.
De bijl was uit z’n handje gevallen, lei in het gras met wat roode róéstplekken te schitterglanzen.
„O, o, me jurk,” snikte Geertje: „dat vieze, smerige blóéd ”
„Zag-ie ’m lóópe?,” praatte Dirkje zacht: „jessis, ’n haan zonder kop....
„O, o — wat zal moeder zegge ”
Ze spraken niet meer van soepkoken, noch van spelen, keken benauwd naar den kop met de gesloten witte oogleden, staarden naar het lichaam dat met teere huiveringen na-bewoog in het droge vertrapte gras, naar den nekstomp die al maar bloed gulpte____
„La-we de kop ’r bij legge,” schuchterde Dirk.
„Ik hei ’t niet gedaan,” huilde ’t meisje.
„Hei jij ’m niet vastgehoue, meid? — Toe pak dan de kop!”
Ze bekeek de kleine vuile handjes, roodgeverfd — liep naar den greppel, bukte, wiesch het róód weg.
Hij, bang, maar brutaler, tipte den kop tusschen z’n aarzlende vingers, smeet ’m naar ’t lichaam in ’t gras.
Dan bevreesd voor de trillingen in de vlerken, schopte-die snel, liet zich door haar het gezicht was-