Malsche haan. 163
zijn altijd bang: hou jij ’m dan vast, dan zei ik 't doen”...
Voorzichtig om *m niet te bezeeren, nam zij het haantje over, streelde den kop, sprak kinderlijk-zoetjes.
„ .... Wees jij maar niet bang hoor, beest Wees
jij maar stil hoor”____
„Kies niet,” zei Dirkje: „néé — z’n kop lager, nog lager en je vingers weg — anders snij ’k je”....
Ze hield den kop en de vleugels vast, keek naar de bijl die zilverschubde, heftig vlamde in ’t zonlicht.
„Klaar?”, vroeg hij met de oogen knipperend.
„Ja,” zei ze en met zakte de bijl.
’t Was mis. Nog geen veertje had-ie geraakt.
„Dat komt dat-je je poote niet stil heb gehoue,” ruziede Dirkje.
„Je kén ’t niet!”, verweet ze, even in het spel.
„Ken ’k ’t niet? — Wacht is — Hou je vingers weg!”____
Weer vlamde de bijl, weer cirkelde-die neer in gespetter van vonken en glansjes.
En tegelijk bonsde Geertje terug, wildschreeuwend en krijschend.
De kop van den jongen haan, de gouden kop met de gele veertjes lei in ’n klein rood kringetje op de bank. Als ’n vinnige fontein was het bloed, sissend langs de vlammen en glanzingen der bijl in het gelaat der kinderen gespoten, spettend over de kleertjes, de haren bepurprend.
Maar dat was ’t ergste niet, nog niet het ergste.
Het lichaam, losgelaten, koploos, waggelde voort