falkland belegerd. 155
„Ga u zitten ....”
„Nee — ik zal wel staan . ...”
„Wat is er van uw verlangen, buurman.”
Hij was twee hoofden grooter, sterk, gespierd — een dreigende arbeidsreus. Z’n nijdige pupillen grimden in het wit der oogballen die weer schichtig spetterden tegen het roet dat z’n beenig gelaat besmeurde. Ja — er zijn fluïden van buren-verwoedheid. Nog vóór hij één woord gesproken had, voelde ik dat komen zou wat kwam.
„ .... En zeg nou nóg is — in me gezich — wat jij in de krant heb gezet... .”
„In wélke krant?*, vroeg Falkland, oplettend of er een gebaar zou volgen. Nou maar liegen. Anders was de boel mis.
„In wélke krant?”, herhaalde de smid: „in de krant. Wanneer het ’r ies bestaan tusschen de juffrouw en mijn ?” „Ik begrijp u niet,” zei de auteur strak.
„’t Heele huis heb-ie geschandaliseerd — al de ver« diepinge — maar van mijn ben jij niet af — ik ga regelrech na de commissaris voor ’n verbaal....” „Wat bedoelt u — u praat wartaal,” klonk de stem bij de Dolk.
„Ben jij Falkland?”
„Nee — die ben ik niét”____
„Ben jij niet Falkland?,” her-sprak hij.
„Nee.. •. Da’s ’n kennis van me” ....
„En hoe klopt ’t dan met de juffrouw en mijn en met de juffrouw-van-tweehoog en met die van drie?” .... Het gesprek werd levendig. Falkland hield zich