f56 Falkland belegerd.
voortreffelijk dom — de smid vertrok met de onplei-.zierige dreigementen dat-ie ’m den eersten den besten keer dat-ie ’m op straat tegenkwam op z’n donder 2011 komen.
Tien minuten later rukte de schel heviglijk door een verwoede hand bezeten. Achter de deur, die thans dicht bleef, stond de echtgenoot van twee-hoog, de man van de „fletse” juffrouw.
De schel luidde, Falkland rookte z’n pijp.
Doch den volgenden morgen, toen hij vroeg uit bed, ’s middags één uur, z’n ochtendwandelingetje in het tien-bij-vier gruistuintje deed, verscheen, drie hoog, in de glanzingen van het winterzonnetje één hoofd met peenhaar. Ongelogen het was peenhaar. En niet .zoo dadelijk wTas die kop er of de inwonende nicht met peenhaar en zomersproeten en het dochtertje met peenhaar boorden heur lokken door het venstergat.
„Krantekerel!,” schrilde het door de winterluchten de echo van het huizenvierkant herhaalde monotoon „ .. .Kran-tè-kè-rèl!” Links en rechts werden ramen opgeschoven.
„Ben jij belazerd — het me tante peenhaar!,” schreeuwde de peenhaar-nicht. Ze had het eenige tonen lager kunnen beweren. In een Amsterdamsch huizenblok hoor je voldoende ook wanneer ’t hooge en middenregister versleten is.
Falkland haalde z’n schouders op. Daar hij Falkland niét was, geen boosaardigheden gezegd had, noch namen genoemd, ging hem de hurrie niet aan. Boven dachten ze er anders over.