154 Falkland lelegerd.
Falkland, achter de deur, begreep onmiddellijk dat de schoen, die eene her-sluiting derzelve pertinent belette, ’n vijandige daad demonstreerde van den man, wiens huisvredebreuk-plegende voet, zonder theoretische inleiding de deur geopend hield.
„Wat blieft u?w, vroeg Falkland beleefd met eenige verontrustende verwondering den smid-intern van één-hoog herkennend. En nog terwijl de man zweeg en de solide voet in den scherpen hoek verwijlde, schichtte er met ontzagwekkende snelheid de idee door des auteurs brein dat de een of andre mot op het punt was het levenslicht te aanschouwen.
„Ik ben de smid van bóven,” zei de pootige kerel, dien Falkland als „altijd vuil, roestig en met gepot-loode handen” geverfd had.
„Jawel — meneer,” hernam de auteur, den indringenden voet mitsgaders knie binnen den driehoek forceerend.
„Ik kom jou spreken,” dreigde het zwart gelaat met de bruinig-glimmende jukken.
„Mij?” —, vroeg Falkland en in eens resoluut: „Kom ’r in!”....
Boven de schrijftafel hing een Dolk. En er was een roestig Zakpistool in huis met kogeltjes als capucijner-erwtjes — doch ongevaarlijk. Een paar maal met knipprende oogen hadden we ons geoefend, ’t Dee niks. De kalk spette niet eens van ’t eensteens-tuin-muurtje.
Zijn sombre, dreunende voetstappen schokten Falkland achterna.