148 Zij wil z'n portret.
gestampten pot zit te wachten, op zij van de tafel leunde.
Z'n arm hing slap bij het tafelblad.
Z’n hoofd, onder de pet, rustend tegen het behang-seltje, leek geelgrauw alsof ’t schichtig staalgroen van een bliksemschicht er langs had gesidderd.
De borstlige brauwen stonden verwaaid boven de mat-gesloten oogen.
Het bruin snorretje droop over den mond, die ’t ouwe tabakspijpje geklemd hield.
Daaronder wolde het boezeroen met ’t zwarte, vettige zondagsdasje.....
Toen was het er evenwel nog niet.
De achterbuurtsche photograaf, die a contant werkte, wat des photograafs recht was — en daarenboven bij deze exceptioneele omstandigheden ’n èxtra-douceur verlangde, e i s c h t e, alvorens de gevoeligheid der plaat te beproeven, een voorschot van een volledigen rijksdaalder.
De weduwe scharrelde twee gulden dertien en een halven cent tezaam.
Niet genoeg.
De photograaf wachtte ongeduldig — dooie Dirrek wachtte met eene voortreffelijke goedmoedigheid tot de juffrouw-van achter èn de juffrouw-van-driehoog èn de juffrouw-van-benee — as de week op d’r laatst liep waren ’r niet véél centen in huis — de andere zes-en-dertig en een halven cent bij mekaar hadden ge-pieterd.
Nog met de warme centen en twee-en-halve-cent-