Zij wil z'n portret ____145
haar suikerpot — zij liet ’t toe — ze knikte tam — ze zei dank-ie, liet zich troetelen.
De juffrouw-van-benee met wie ze zoolang ze tweehoog woonde geen woord had gesproken, omdat die eens de vlegelachtige opdringerigheid had gehad om doove kolen te leenen zonder ze terug te geven, de juffrouw van-benee, die ze gewoonweg geen asem meer gaf na de trap-ruzie over dat gèmeène geval, de jufFrouw-van-benee snuffelde in haar kasten, zat breeduit mee koffie te drinken, mee te wee-klagen, mee te eten van ha ar boterhammen met boterhammenworst en — ze zei geen opstandig, geen onvertogen woord.
De juffrouw-van-driehoog met wie d’r man Dirrek — ja, zonder naam gaat *t niet — gevochten had, omdat de kinderen van driehoog tellekes tegen de deur bonsden en met krijt schreven, de juffrouw-van-driehoog, die nou ’n lekker gebakken botje omlaag had gebracht — want ’n mensch is sterfelijk en bij sterfte mot je mekaar toonen dat je buren ben — de juffrouw-van-driehoog plakte in Dirrek z’n stoel, zat te klessen over de pollitiek, over de boeren-van-Trans-vaal dat je ’r gek van wier, dronk koppie na koppie met drie lepels suiker, zonder te roeren — en zij, zij de feeks van vier dagen gelejen, zij de man-vrouw met d’r snauwrige (nou rood-gehuilde) oogjens, d’r schijnbaar rijper geworden sproeten, d’r roodgepletten priemneus, d’r beitelvormige jukken, d’r kwaadaardig piekend rulhaar, zat paf van ontsteltenis, schrik, verdriet in d’r stoel, maakte geen nijdige opmerkingen,