142 Zij wil z'n portret.
schoenlapper, mitsgaders kunstliefhebber, als een vijge-peer van de vier om 'n dubbeltje beknepen wordt, nadien je, steeds alleen èn contemplatief, de eenvoudige stelling wikt en bepeinst dat zoomin als jezelf je zoudt mengen in de affaire van ’n pasteibakker of effectenmakelaar, ’n ander toch lichtlijk je littéraire Negotie met de noodige zwijgende waardigheid kan ontzien — ook al staat er geen ijzerdraadversperring rondom-me — nadien je een en ander wijselijk en ijselijk met ’n kwast-je bespoeld, knettert er op de mysterieuze wijze, die je ’n ander tóch niet vertelt om de barre concurrentie uit ’t vak te houen, zónder steun, zónder inblazing, heuschlijk vanzelf, ’n dingske in je memorie, dat geschikt is, althans geschikt zal wórden.
Ja, met alle ontzag gesproken, wensch je alle moppenvertellers, alle lieden die „stof” voor je hebben naar den meest verwijderden drommel. Je ziet zelf of je ziet niet. Mediums kun je ontberen ....
Maar toch, vandaag, doet een onbekende ’n zeer lugubere historie, die me gefrappeerd heeft en óm die reden voor reproductie vatbaar is. Falkland, zoo sprak de beminnelijke stofaandrager....
Ze hadden als kat en hond geleefd, zij en hij — de vrouw doorgaands kat, de man doorgaands hond, ofschoon er gevallen zijn van omgekeerden aanleg en t emperaments-uiting.
Hij was smidsknecht, ’n goedige tamme vent, zij iad gediend.