Als ge ’t nog niet wéét, wil ’k ’t u nu wel even in vertrouwen zeggen: vrinden, amices, zelfs gansch-lijk onbekenden sloven zich uit om mij aan „stof* te helpen.
Zit je in een café, maakt die of gene ’n praatje met je — dan duurt ’t géén vollen avond of een paar dienstwillige lippen warmen je op.
Nee maar nou hebben ze ’n echt Falklandje voor je, zoo iets leuks, zoo iets vrééselijk aardigs, zoo iets typisch-Falkland, zoo iets grappigs — en de goedige auteur verneemt *n flauwe mop, ’n benauwd geesteloos-heidje, ’n humoristisch-album-gedoetje om klam-wee van te worden.
En nadien je geluisterd hebt met de meest schape-kop-achtige welwillendheidstrekken in je gezicht, met een plooi van zoetelijk lachen om je mond, geforceerd als ’n zure óüwe heer in hyper-züre bui, nadien je, alleen gelaten, naarstiglijk ’t fatum bekniest van ’n publiek heer, wiens braaf zieltje door melkboer en