Mr. Samuel Falkland. 139*
„Kinderen zijn geen getuigen,” zei ik en voor alle-zekerheid: „althans niet één kind”...
„Ze had laatst blauwe plekke zoo dik as me duim/ zei de naaister zich opwindend.
„Ja,” zei ik, zoekend: „zélfs al had u getuigen dan kan u nog niet echt scheid en, want de wet zegt: zware verwondingen of zoodanige mishandelingen door de eene echtgenoot jegens den andere gepleegd, waardoor diensleven wordt in gevaar gebracht, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen zijn toegebracht — en ’n blauwe plek, zonder getuigen, is geen gevaarlijke verwonding.”
„Nee — dat is ’n blauwe plek niet,” zei de naaister. „Nee, gevaarlijk verwond het-ie me nooit,” zei de onbekende — „alléén klappe èn blauwe plekke.”
„Wel kan u scheiden van tafel en bed,” las ik: „ter zake van buiten-sporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen. — Scheldt-ie wel eens in ’t bijzijn
van getuigen?”____
„Schelden!”, viel de naaister alweer driftig uit: „hij scheldt ’r van *s morgens tot ’s nachts, de doerak! ” „Heeft u getuigen?”
„Me dochtertje”----
„Doet-ie ’t nooit waar kennissen, vrinden, buren bij zijn?”
„Nee, meneer, altijd stickum*...
„En waarom mishandelt-ie dan?...
„Omdat... omdat... Dat doet-ie as-ie ’r trék in het” .. .. „Trék?”...