Mr. Samuel Falkland.
„Nee,” sprak de lichtschuwe, d’r oogen drogend en sufjes starend naar m’n pantoffels: „ééns heb ’k ’m werom wille slaan, maar toen werd-ie zóó gemeen — néé — néé — ’k wil in vréde van ’m af”....
De angst, de vage ingevreten angst voor den màn lei ’r op ’t rood-behuild gezicht.
Ze was leelijk, bleek-burgerlijk, ’n juffrouw met spitsen neus, scherpen mond, vele en saamsmeltende sproeten. Alleen d’r zwarte oogen hadden iets liefs* van véél huilen, véél zorgen, véél tobben.
„Heeft u getuigen?”, begon ik ernstig te infor-meeren. Van m’n boekenplanken nam ’k —ja je moet àlles hebben! — ’n „Handleiding bij de studie van den Burgerlijken Stand door K. M. Houthaar, commies ter secretarie, belast met de werkzaamheden voorden burgerlijken stand te Zutphen, met eene inleiding van J. Kardux, commies ter secretarie te Deventer.”
Samen met de heeren Houthaar en Kardux poogde ik het lichtschuw vrouwtje te helpen.
„Van wàt getuige ?, ” vroeg ze, terwijl ik heele hoofdstukken van geboorte, overlijden, domicilie, huwelijksaangifte, huwelijksafkondiging, huwelijksvoltrekking, huwelijksnietigheid, enz. met rap vingerbeweeg oversloeg.
„Getuigen als-die u slaat,” zei ik studeer end.
„Nee,” zei ze gelaten, „dat doet-ie stiekum”...
„Stiekum?”
„As iedereen wég is — Alleen Marietje ziet ’t” —
„Marietje ?” ...
„Da’s d’r meissie ” lei de naaister uit.