Mr. Samuel Falkland. 137
smarten en wachten en geduldig-dragen bij kopjes koffie en boterhammen met kaas.
De onbekende juffrouw huilde onbedaarlijk.
D’r pluishaar en haarkam sidderden heftig boven den zakdoek die d’r oogen belei. D’r vingers met den lief-glanzenden trouwring kromden, wroetten, dwazelijk pogend de malle smart voor den vreemden meneer te verbergen.
Hoe gedragen zich advocaten in zulk een geval?
Of weenen vrouwen nooit — als ze op consult komen bij iemand met een officieel Mr.?
„Is-die zoo slecht voor u?”, vroeg ik, m’n aanloopje nemend om iéts te zeggen.
Zij knikte snikkend — de zuster antwoordde:
„Slécht,” zei ze het woord pootig naar mij terug rakettend: „’t is ’n lamstraal!”
„Loop van m wég!”, begon ik als gevoels-idioot te adviseeren — de wetenschappelijkheid ontbrak.
„Kan niet, meneer,” zei de naaister: „ze hebbe’n kind en ze hóüdt van ’t kind...”
„’k Laat me méissie niet in de steek,” zei de lichtschuwe juffrouw onder d’r zakdoek.
„Ja dan aarzelde ik bete.
„Hij slaat d’r,” zei de naaister weer, ernstig naar mij knikkend.
„Sla ’m terug!,” ried ik vinnig.
„Dat durft’t mirakel niet,” zei de naaister, wederom me beknikkend met ’n meelijdend hoofdschudden, alsof ze wijders wou zeggen: hij most ’t met mij n is probeere!