136 Mr. Samuel Falkland.
„Ja,* zei ik, expliceerend op mijn beurt: „als uw zuster scheiden wil — dan ben ik niet de geschiktste om te adviseeren .. .. ”
„Zoo,” zuchtte de naaister.
„Da’s jammer,” zei de lichtschuwe zuster. Ze stond halfwege op in teleurgestelde houding van-nou-maar-weer-weg-te-wezen, ging met ’n rukje opnieuw zitten, barstte in snikken uit
„Nou schaap,” beklaagde de naaister: „huil maar niet ”
Ze huilde echter wèl en allerhevigst. Ik kan u verzekeren dat een snikkende, vreemde vrouw in je kamer, een vrouw van wie je na ’n paar losgelaten woorden, ’n allerbenepenste historie van man-en-vrouw-opstand vermoedt, ’n bitse, hijgende, heete, benauwde wrijving èrgens in ’n kamer, èrgens in ’n huis, èrgens in de vale, groote, leed-slokkende stad — ik kan u verklaren dat zulk hard, uitbarstend, nou-'ns-niet-langer-opgekropt gesnik je verlegen maakt, je met volle smakken ’n ongevraagde, ongekende misère in ’t éérst-onverschillig gelaat smijt.
We leven allemaal zoo in eigen knusse kringetjes, geserreerde sfeertjes, we bemoeien ons zoo luttel, dierbare ouwe getrouwen, met wat in ’t benedenhuisje naastan en ’t bovenhuisje van-de-overzij, aan stille, bedekte, schuwe verdrietelijkheidjes passeert. Elk huis heeft z’n kruis, niet waar ? En ’n man die ’n been breekt of ’n kind dat overreden wordt slaat de straat met meerder verschrikking dan ’n gekijf tusschen vier wanden, ’n gesnik achter neergelaten gordijnen, ’n