Mr, Samuel Falkland. 133
mijne verwondering uitend: „m’n vrouw is niet thuis.” „Nee, we komme voor u,” zei de eene juffrouw, die wel eens voor m’n vrouw naaide en ik bijgevolg niet op mijn levenscentrum taxeerde.
„Ja we komme voor u,” zei ook de andre — waarlijk onbekende juffrouw.
„Me zuster,” presenteerde de bekende.
Ik wees ’n paar stoelen aan en nog vóór ze zaten begonnen ze.
Laat ik u, ouwe getrouwen, alvorens zeggen dat de historie eenige jaren geleden gebeurde, dat sinds de eene juffrouw naar het buitenland vertrokken, de andre gestorven is, zoodat ik met deze herinnering niemand blameer, allerminst mijzelven — in waarheid ik heb achting voor het beroepsgeheim van advocaten en doctoren, ofschoon er iets voor te zeggen zoude zijn, als elk advocaat en vooral elk docter een dagboek aanlei — om na vijftig jaar het klein geworstel en de misères der menschen beter en vollediger te illustreeren dan eenig auteur met z’n haastig gegrijp hier en daar vermag.
„Meneer,” zei de juffrouw, die thans vèr in het buitenland zit — de naaister — : „we hebbe de brutale schoene maar angetrokke — want cente hebbe we
niet voor ’n advocaat”____
„Nee — da’s zoo duur,” zei de andre juffrouw, zenuwachtig den stoel bewrijvend, licht-schuwig van m’n hoofd naar m’n pantoffels kijkend.
„En u weet zoo alles,” flateerde de juffrouw-van-m’n-vrouw — „toen dacht ik”____