„Binnen,” riep ’k.
U moet weten dat ’k den middag bij m’n kippen verluierde.
’n Zonnetje om te zoenen, ’n zonnetje zooals er in geen dagen geweest was, veel gekakel in den ren, veel bezigheden van den haan, veel gezellig gewroet, veel eieren. Juist rakelde ik deze met de hark bijeen — want een wonder daar zijn kippen die maar niet wennen willen aan ander-kips eieren en ’r pleizier in vinden ’t legsel van eene kameraad door den ren te sporen — juist had ik netjes de eieren verzameld, toen ’r gescheld wierd en de meid kwam boodschappen, dat ’r twéé juffrouwen waren om me te spreken.
„Wel laat ze boven,” zeide ik, en ’n oogenblik later riep ’k, als gezegd, „binnen !*, waardoor ik het verband aangeef, zonder te brusk ’t verhaal te for-ceeren.
„Goeien middag, meneer Falkland,” wenschte de eene juffrouw.
„Goeien middag,” repliceerde ik — en dadelijk