Kermis. 129
in. Zou, vraag ’k, een kameel waanzinnig kunnen worden ? Soliede-waanzinnig ?
In het koffiehuis was het eivol. Daar zaten de lieden te eten, te drinken — na middernacht. Hollanders eten na middernacht als ze féésten. Je zag de grocjes, de cognacjes, de biertjes, de harde eieren, de zwarte biefstukken, de broodjes met vleesch en ham in de rookwalmen heen-scheemren. De stemmen watelden in feest-pret, galmend, schreeuwrig, schor. Klonk plots als een klacht ’t kuchend gepieng van een gitaar en de schel-valsche stem van ’n vrouw, ’t Waren ’r drie met ’n man. De man greep in de snaren. De vrouwen zongen tam in ’t geroes der stemmen en borden en vorken en glazen. Twee schenen óp — hoorde je niet — waren bleek en vermoeid en zongen met hoesten en schrapen. Om d’r hoofden hadden ze doeken — d’r oogen keken de walmende zaal door, de zaal die vaalde met spiegels als blauw-vette lappen. Drensde alleen de schel-valsche stem van de oudste, ’t zoetlijk getril der gitaar. Schreeuwde er een uit ’t publiek: „Ruk uit met dat lamme gejenk!n Maar moe en versuft als ’t paard in den molen, als de kameel uit de tent, gingen ze voort, de gelaten ver-wit, de oogen ver-doft, de stemmen verscheurd, tot een V handen ophield en centen, hier en daar, werden toegesmeten.
Je kunt dit niet deugdlijk noch littérair schetsen voor alle theetafels, ’k Geef ’t te doen om gaaf en compleet den man te teekenen, den man-van-de-waarzegsters-tent.
SCHETSEN VIII. Q