128 Kermis.
veel stoom-draaiorgel-geweld, veel montere kermisgan-gers, veel stof, veel gegil. Het sterk, pootig stoom-draaiorgel met z’n bewegende houten spelende clowntjes doorbulderde de tent. Er sjokten tien, twaalf paarden op de rauwe maat van muziek die walsen, deunen, marschen krijschte. ’s Avonds zes uur begon ’t, zag je uit de tentspits rook stijgen, werd het vuur aangelegd voor het orgel. Half zeven snerpte de stoomfluit, ’t Duurde tot zoolang ’r bezoekers waren, ’s Nachts in je hotel lei je wakker gehouden door de buldrende, sarrende muziekdeunen. Even kijken. Over half vier. Je probeerde te tukken — zag de paarden, de rond^ tollende, rondsukklende paarden met de lachende, lollende menschen — de star-üchtende electrische melkballen — èn den kameel. Dien vergat ’k. Als het stoom-draaiorgel begon te razen liep de kameel langszij de paarden, dragend z’n twee burgerjuffrouwen, z’n angstig-gillende juffrouwen, z’n jool-makende heeren. Van ’s avonds zes tot ’s nachts vier — ongerekend de middagritjes als ’t druk was — liep de kameel, stappend-als-in-droom, den hals gekromd, dén kop in denking vooruit, de oogen mat-glazig, de bovenlip vaagjes mummelend als ’n ouwe-oüwe juffrouw die wat gaat zeggen. Stupiede, dat je bij zooveel wiss-lend, aangolvend, haastig levensbeweeg den kop van een kameel onthoudt, den kop van ’n sukkel-kameel die z’n tien uurtjes lang burgerjuffrouwen draagt, kringetje uit, kringetje in — bij het geweld van ’n stoom-draaiorgel — kringetje uit, kringetje in — en 't gegil van kermismenschen — kringetje uit, kringetje