Kermis. 127
den man van de groote trom, den man van het ijzerdraad, de gespannen halsaders, de uitpuilende oogen, den man die de beenen van de „moeder zijns kinds” mee voor cènte te kijk zette. Dat was m’n sentimentaliteit en m’n snobisme. Je moet dat volk ’s avonds zien — in de tent. In de volksmenigte, overdag, met ’n kinderwagen hooren ze niet thuis, storen ze je in je kleintje. Ofschoon ’t tóch typisch is.
Achter op de markt, bij den draaimolen, had je de palingwagens en de schietkraampjes voor de jóngens — tweemaal schieten voor één cent. ’r Stonden er wel drie, vier naast mekaar. Allemaal concurrenten die de jongentjes poogden te lokken. Op ’n plank waren de schiet-objecten geëtaleerd. Raakte je de roos dan ging ’r ’n deurtje open, spatte een pop naar buiten of begon ’n speeldoos te tienkelen. Tweemaal schieten voor een cent en véél concurrenten. Héel-aardig hoe die lui an ’r brood kommen. ’s Nachts of ’s avonds al, sluiten ze d’r kraampjes, die manslengte en halve-mans-diepte hebben, gaan naar bed. Onder het aanrechtblad, waar de jongens d’r centen neertellen om te mogen schieten, slapen ze op ’n stroozak op de keien. Als je tegen het zeiltje trapt, raak je ze. Daar snurken ze, zonder middageten, met de ongelukkige duiten in d’r zak. Nee, lieve lezer (titteltjes) ____
Ook heb ’k zeer sterk in mijn memorie een kameel. Dat was in het hippodrome. Een hippodrome is een warme gelegenheid, met een klein arena, veel licht,