Kermis. 125
kwamen op de bank voor het tooneeltje — het doek rees en als tweede nummer kregen we den bleeken jongen kerel, die vlug z’n ridderkostuum had afgestroopt, nu een stoelenpiramide uitvoerde. Dat wil zeggen, den eenen stoel zette-die op den ander en dan telkens er bóven maakte die ’n hoog-stand, zachjes bevend — want éérst ’n half uur trommlen, dan hoogstanden maken is nóch gezond, nóch gemakkelijk. Toen de stoelen érg hoog werden kwam er een jonge vrouw bij, om ze aan te geven, een knappe jonge vrouw (zijn vrouw) in tricot. Die knipperde niet eens met ’r oogen toen de voeten van ’r bevenden, hoog-standen-makenden man in de bovenste friesen haakten. Ze keek stijf omhoog, gewend aan de aarzelingen van doodvallen of kneuzen. En liet, als ’n toetje ’r naakte (tricot)beenen door de kerels in de tent be-lodderen.... Na ’n mopje muziek van de vier safraan-gele tanige muzikanten — kreeg je den bleeken jongen kerel wèèr — nou als clown met ’n ander tezaam. Ze smeten en sloegen mekaar dat de menschen achter in de tent, de kwartjes-menschen, gierden van ’t lachen. Enorm succes. — Toen trad de slangenmensch met z’n ver-havend, niet meer willend lichaam op — toen voor de dérde maal de bleeke jonge kerel, nou met z’n vrouw. Zij liep, heel dunnetjes, heel slecht over een slap ijzerdraad
— het eene eind was aan ’n paal bevestigd — het ander hield hij in z’n mond. Boven, op een stellage, hield hij het leeren handvat in z’n tanden geklemd, maakte er weer hoog-standen bij — zij liep en stapte over het draad
— hij lachend, met gezwollen, haast barstende hals