124 Kermis.
Acht uur ’s avonds was er gróóte voorstelling, nà de matinee. De muzikanten, vier safraangele, verslapte blaas-doedels, afgedankte duitsche militairen met gele snorren en nieuwe uniformpetten, bliezen op d’r koper-instrumenten. De kleine trom sloeg de slangenmensch, ’n verlepte stakker, die niet àlles meer kon, stijf was geworden, te stijf voor de grootere café-concerts. Later, in de tent, zag ’k hem werken, ’t óp-pe lichaam wringen. De beenen gingen nog wel over den nek heen, de armen deeën óok nog, maar de rug boog niet meer lenig, verdraaide ’t om dàt te verrichten wat tegenwoordig je weinigst-geblaseerd publiek van een slangenmensch te vergen heeft. Die man, die oùwe met z’n straffe gelaatsrimpels, ’t mager bottenlichaam verwarmd in ’n geel demietje, waaronder de tricot-beenen typisch spichtten, sloeg de kleine trom. De groote, de trom met ’t gapend bekken, werd door ’n bleeken jóngen kerel bebeukt — geen clown maar ’n r i dd er. Ja, op gevaar af sentimenteel te worden — (waar molmt fideele lezer, de schutting die ùw sentiment van ’t mijne scheidt?) — moet ik ’n oogenblik ’r op los kouten. Staand in de menschenmenigte, die als een lichamen-kluit met vele vaal-rood-beschenen gelaten voor het lichtgat wachtte en drong, zag ik de armen van den bleeken jongen kerel in ’t ridderko-stuum meer dan een half uur trommelen en beuken. De groote trom overdonderde de roode hoofden, de zwarte lijven, de heele walmende, rookende markt Toen stroomden we binnen — de vier muzikanten