Kermis. 123
loopen met de malle gedachte: nee, ik ga er niet in, want ’t paard en de menschen, of de menschen en ’t paard hebben ’t ’r zoo hard — dat bedoelde ik niet, braafsten! — nee: ga met je kinders, laat ze draaien, lachen — wijs ze den orgelman, de menschen, ’t paard (met een eminent-populair toespraakje als dit) opdat hun fantasie niet verkankerd blijve, opdat ze iets begrijpen van het kermismonster, den draaimolenbeul, opdat ze niet in later jaren ruw en benauwd en plots-ling de ellende ondergaan van teere herinneringen die te modder geraken.
De groote tent met de clowns, de muzikanten, ’t spullevolk — de wafelbakkers — de waarzegster — de schiettent — laat niks van die dingen fleuren opnieuw, tenzij je volwassen van lichaam en hoofd blieft typisch en leuk en komisch te noemen, wat ’n ander hondsch-miserabel vindt. Als ’n axioma zou je kunnen stellen dat er nooit iets typisch is aan zwervers, zwoegers, vervallenen, kermisgasten en derglijken. Maar de meest slappe werklijkheid schijnt daaglijks lachschuddebuikend het tegenovergestelde te betoogen, daar om ’n eenvoudig voorbeeld te nemen, schilders, schrijvers, beeldhouwers bij voorkeur armoe en gebrek als geliefkoosde typische gevallenbesmullen. Waar zou ’n schilder z’n modellen vinden — u weet alweer wel: die lekkere, smerige, baardige, vervallen, doorzakte modellen — als Ellende ’t werk staakte, niet langer typen produceerde?