122 Kermis.
M’n lieve christen-hemel, waarom stellen ze in de Gevangenpoort in Den Haag het druppeltje dat dagen lang tik, tik, tik, tik op den schedel van den gefolterde, tik, tik, tik kletst, eerst zachjes dan als ’n donderslag — waarom stellen ze zulk een bijna banaal ding als eene marteling voor? Behoeft iets dermate petieterigs geëxposeerd te worden ? Zullen de na ons komenden een museum kunnen aanleggen gróót genoegom ónze doodsfolteringen — de folteringen die wij beschaafde, ontwikkelde lieden anderen menschen en anderen beesten opleggen — in waarheid uit te stallen?
O, (excuseert het herhaald èn vervelend en zieklijk stopwoord) — als je zoo’n paard ziet loopen in het klein kringetje, gebonden in ’t koper gareel, zoo’n paard dat niet trapt, niet slaat, geen kuren verkoopt, zoo’n paard dat trouw élk gedeelte van ’n minuut op de hoogte van den orgelman is, zoo’n paard dat trekt en sukkelt en langzaam draaft, zoo’n paard met z’n onzichtbare, in het hoofdstel verstopte oogen, zoo’n paard dat het gegil en gegrol der menschen hoort, het geschetter en gebrul van ’t orgel, zoo’n paard dat de stofwarrelingen snuift, niet stil kan staan om te eten, niet ophoudt om te drinken, dat enkel draait, draait, draait — goedig, berustend____
Het is gruwlijk — ’t is om bij te duizlen: de orgelman — de centen-ophalers — ’t paard.
Doe je keus, lievige lezer. Beklaag naar je lusten en sentimenten de slachtoffers van den Beul — den beul, die ze vóédt, onderhoudt — den beul die je op ’n kermis vóóral moet bèzóeken, niét moet voorbij-