Kermis. 121
Warm eten doen ze niet.
Meèstal zelfs geen aardappel.
Ze draaien den dag, den avond, den nacht, slikken haastig wat brood, wat lauwe koffie — draaien, draaien.
’s Avonds zien ze er uit geelbleek, bestoven, vreeslijk bestoven, de haren verwaaid.
’s Nachts slapen ze in den molen, in ’t klein obscuur deel, waarvoor de orgelman staat te draaien, in ’t binnendeel dat bedekt is door afhangende tapijten en lappen.
Ze slapen op de keien — en om zich op de been te houden bij al die vermoeienis — bij dat gedraai, dat spektakel van het orgel, dat gegil en geschreeuw — zuipen ze ook wel jenever.
Werklijk, geheel-onthouders vinden hier ’n terrein voor brave woorden en strooibiljetten en bijbels.
Een draaimolen is een beul. Een beul voor het paard. Heel-kleine draaimolens worden ook wel gedraaid door ’n man die duwt en hijgt — maar die verdwijnen.
Jammer voor het schilderachtige, ’t Dee zoo pittoresk.
Nu trekt ’n paard. Misschien dat de marteling van zulk een diér meer *t gevoel kwetst, dan de bezigheden van orgelman en centenophalers. Smaken verschillen. En dierenbeschermers zijn lang niet ver-werplijk, de eedlen.
’n Paard in ’n draaimolen wordt zoo verfijnd, zoo beestig mishandeld, dat je er verlegen van afziet de kwelling te preciseeren.