120 Kermis.
Wat ’k vroeger zag tollen, bewegen, flonkren, met gehup van houten paarden en gefloep van houten leeuwen, wat ’k vróéger zag wentlen met satansch gegrinnek van spiralende lichten, licht-ketsende loovers, licht-spranklende kralen, wat vroeger vloog en bewoog en joelde en krioelde en voorbij raasde, was ’n absurd fantasieding, was ’t beminlijk, opwekkend, poeslievig preek-gelaat van het monster, dat grollend en dik-lachend en diep ho-ho-end van pret, achter elk paard, eiken leeuw, in eiken glansbundel van loovers en pajetten te kijk kwam.
Een draaimolen is een beul. Een beul voor den orgeldraaier die van ’s middags tot ’s nachts — ’k durf de uren niet tellen — den slinger draait, draait, draait — dan met die, dan met de andre hand — draait dat z’n bezweet wit gelaat vreemdelijk bleekt door de lappen en wimpels en vlaggen — o, ’n zéér bleek, zeer makaber gelaat met puilende jukken en omrande dof-gittende oogen — draait achter z’n schreeuwend, krijschend, buldrend orgel, draait uren en uren lang in de kleine stoffige ruimte, waaromheen de vloer draait, draait, de vloer met z’n paarden en leeuwen en schuitjes en bakjes.
Een draaimolen is een beul. Een beul voor de menschen die de centen ophalen. U weet, nuchtere, dat die doorgaands een kof bewonen — met die kof van de eene kermis naar de andre trekken, zelf den draaimolen opbouwen, zelf den ganschen dag, den ganschen avond, den ganschen nacht tusschen de draaiende paarden en leeuwen bewegen om de heete centen op te halen.