Kermis. H9
bij ’t kermisgeraas, kermisgewoel, kermisfestijn — dat zulk een ouder, te goeder trouw doch onnadenkend, z’n kind bederft, z’n kind beliegt.
Misschien ben ik zwaar-op-de-hand, deug ’k niet voor opvoedkundige en is het mooglijk voortreffelijk dat ’k geen directe wenken heb uit te deelen.
Eene kermis lijkt mij thans een bizar monster, een hideus beest met ’n zoetsappig-lachend èn met ’n afzicht-lijk-ziek gelaat — ’t eerste voor de pretmakers — ’t tweede voor de pret-verschaffenden.
Ongetwijfeld is het zoetsappig-lachend aangezicht ’t meest bekend, ’t liefst beschreven door heeren humoristen, ’t zij met een tikje quasi-tragiek, ’t zij met wat héusche sentimentaliteit.
Ge vergist u, nuchtere lectuur-klant, zoo ge mij als pessimist of als cynist ziet. Waarlijk daar zullen weinigen zooveel energieke levensvreugde bezitten als de giegelende zaterdagavondkouter — wat niet weg neemt dat eene kermis een bizar, leelijk, gemeen, lafhartig monster is, een monster dat z’n muil en z’n knauwende tanden onder ’n rommelzoo vlaggen, draaiorgels, wimpels, lichten verbergt, ’n monster dat staat te grijnzen, te sarren, te moorden bij triangel en fluit, bij schaterlach en vreugdegil.
Om te beginnen: een draaimolen is een beul, een kwaadaardige, liederlijke beul.
’k Heb ’m zien draaien na tièntallen jaren — en voor ’t éérst.