Kermis. 117
sterk en te grof zijn geworden, je hoofd te wijs, je oogen te oud.
Tóén — ’t begint altijd met toen — tóén liep je met je kameraden langs de kramen en spullen, gulzig-zwijgend bij ’t lekkers waarvoor je geen centen had of geeuw-hongrig voornemend om van dat ’ns zonder ophouen te eten als je man geworden en vrijheid had — tóén snoepte je kauwend met voorzichtige tandjes tezamen van ’n brok nougat — toen was je bang voor den spulleman die als ’n baardige duvel op de groote trom sloeg — toen keek je afgunstig naar de jongens die schièten mochten, naar kinderen die duiten hadden voor ’t wassebeeldenspel, naar de honderden geheimzinnigheden, achter geheimzinnige ouwe tapijten, in geheimzinnig halfduister en je draaide je laatsten cent óm in je zak, den goren warmen rooien cent, dien je nou nóg v o e 11 als je aan je jongens verlangens terugdenkt — den cent — den éénen cent — den cent die je liet draaien in den molen, óf twee polkabrokken gaf óf ’n schijfje kokosnoot óf ’n tik op den kop van Jut____
Tóén slenterde je droomend, verlangend, vurig verlangend.
Elke tent was ’n heerlijkheid — élk opschrift — élke schildering van ’n kalf met vier koppen of van ’n dikke dame of van ’n reus of van ’n vrouw met’n baard. Maar al die dingen kostten dubbeltjes, hééle dubbeltjes, ’t Ging niet. Zachtekens schuifelde je met de menigte mee — droomend bij clowns die als razenden