ïi6 Kermis.
stappend den weg afwaarts, met glimmende bottines en de troeble plassen vermijdend — zelf al niet meer in staat tot ’n diepe kniebuiging of tot ’n lustig haasje-over — voel je ’t rare, ’t onhandelbare, ’tonwrikbre, ’t heesche, ’t heftige, ’t dofgelatene van het mö-mènt.
Ik bedoel dat bij het onverwacht weerzien van dingen die in je jeugd heerlijk èn volweeldrig èn onverwoestbaar gebloeid hebben, dingen die je grepen, heen en weer rukten, deden gloeien en hijgen, dingen die nu vaalbleek en plat zijn — het uur even wil stilstaan, schaduwen over de daken kruipen, menschgelaten als in schemer grauwen, heel het stratenbeweeg schijnbaar terugdeinst, als in de verschrikking van aangrommend onweer.
Zoo pleegt de wijde afgrond tusschen jeugd, jeugd en wat later komt zich bij buitjes aan te dringen.
Zóo — voel je de leegte, ’t weg-ge, ’t voor altijd verschimde, als je weer ’ns ’n kermis ziet, ’n hollandsche kermis en je eerbiedig aarzelt ’t schoone, rijke, onvergeetlijke uit je jongensjaren onder beslijkte schoenen te trappen.
Nee, hèr-lees nóóit ’n boek dat je in je jéügd las, nooit Cooper, nooit Aimard, nooit een der goddelijke verhalen van tóén — ga ’t stuk niet hèr-zien waarbij je als kind gesnikt en geschaterd heb — breek niet ’t glas van je herinneringen — want alles wat je later, véél later, voor de twééde maal, bouwend op ’t denken, zien, voelen van je kinderjaren wil genieten — verniel je, vermors je, verknoei je, omdat je handen te