114 Zilveren feest.
En Hendrik, ook met ’n witte das, ook bleek — spreken moet je gewoon zijn — stapte voor vader en moeder en zei ineens, zoo zönder-verdre-inleiding-
ineens, met ’n gekkig harde stem „Schoon-papa
en schoon-mama” — toen schraapte die effen en ze* niks — en toen weer: „namens je kinderen wensch ik je van harte geluk met dezen dag. Vijf en twintig jaar is ’n hééle menschenleeftijd, maar de tijd vergaat as je mekaar — as je mekaar —as je mekaar — nie-waar? — niewaar? — Nou — nou — van harte
gewenscht” Eenigzins mal in het vérre sprekend,
over schoonmoeder heen, over schoonvader heen, had-ie wat gezeid, ’t eerste ’t beste, waarnaar niemand luisterde. Bij de eerste woorden al, ontdaan door ’t plechtige, had Coba, de meid, hardop gesnuffeld en moeder, sip naar benee kijkend, naar ’t karpet met de wit verfrommelde rozeblaadjes, had op ’r lippen gebeten, was heftig gaan snikken in *r zakdoek en Anna die opgestaan was zoende ’r en Toos zoende vader.
Met het gebogen-bleek hoofd, het week-zieklijk gelaat knikkelde-die en glimlacherde en mumde met de zware bevende lippen en ploos met de vingers van de gezonde hand.
Toen stak Wouter ’m ’n bloem in ’t knoopsgat van z’n jas.