Zilveren feest. 113
Karel had ze in geen jaren gezeid — had ze niet kunnen zeggen, maar nou, maar nóu.
Hij keek doezlig, verwonderd heel vaagjes over de felheid der vlag-kleuren vooral — dat scherpe rood
— dat harde blauw — die knotten oranje — die sliering van sparregroen — en verlegen lachend, wétend dat ’t om hém ook ging, las-ie zwak-bevend, hoofd bevend, de hand bevend, de morsig-dikke vergulde letters op ’t schild.
Toen dee ze de deur van de goeie kamer open — in de goeie kamer zouen ze féésten — dat sprak
— en bei stonden ze in de deuropening, ’n weinig schuw-uitwijkend voor 91 ineens schel geroep en geschreeuw van hoera en lang-zulle-ze-leven van Anna met 'r man en Toos met 9r man en van Wouter — die naar haar vader heette — en van Coba, de meid. André menschen konden 9r niet wezen, want andre familie hadden ze niet en de visite zou eerst na tweeën komen.
Hendrik, de man van Anna, wenkte ze binnen — de stoelen met bloemen ’r op stonden in wachting en ’r waren bouquetten op den schoorsteen en ’n bouquet op tafel en bloemen op de gedekte tafel bij ’t raam.
Toen dee Co de deur dicht.
En Toos begon te snikken om de akelige idee van vader én van de bloemen én van ’t tróuwe van zoo twee menschen èn van de stilte die 'r was na ’t hoera-geschreeuw nou Hendrik ’t woord nam.
En Anna ging zitten, snoot 'r neus, bang voor die aandoenlijkheid.
SCHETSEN VIII. 8