Zilveren feest. 109
geknotten, grijsrooden baard. De gezonde hand wreef over het mahoniehout van den stoel, de vingers pluisden onrustig-tastend, alsof ze bevoelden een vreemde ver-beeldingsstof. Hoe rustiger zij zat met ’r genepen handen, ’r kleinen straffen mond, ’r oogen die wèg van ’m waren, hoe tobbender z’n dikke lippen in norschen twistlust mumden, tot-ie snuivender ademde, hard-snui-vend, onwilliger het zieklijk-logge hoofd bewoog en met heftig vingergepluk z’n moeilijk-bedachten snauw inzette.
„ ...Nou dan!” ...
„O — blièft ü eindelijk,” sprak ze in beleefden sarrenstoon: „wel dan zullen we”...
En langzaam opstaand voor den spiegel, die d’r mager zijden lijfje terugsmeet, nu ook de ceintuur met den zilveren gesp kaatste, nam ze van de waschtafel den kam, steunde z’n baardige kin met de eene kleine oud-perkamenten hand, sneed met de andre een lijn van z’n achterhoofd naar het midden van z’n brauwen^ kamde netjes, met egale roeislaagjes, het grijzend-rood haar links en weer rechts, dat ’t nattig te plakken begon om de pan van het hoofd, en het bol-bleek gelaat met de baardstoppels van onder die nette glad-geharktheid bleeker en zieklijker sentimenteelde.
„Zoo,” praatte ze terwijl, met wijze toontjes van vrouw die ’t meèr heeft gedaan: „dat had nou 'n kwartier vroeger gekend as-je niet zoo èxtra-lastig geweest was. Nou nog ’n kuifie zoo en ’n kuifie hier — en dan mag je d’r wezen. Zit stil — dan krijg ’k je das”.
Dof naar het slaapkamerzeil kijkend, richtingloos als