Visite. 105
Het schelletje uit de studeerkamer had geklonken — de meid was naar de wachtkamer gepantoffeld.
„Binnen,” riep de dokter, ijvrig eenige papieren beschrijvend — nauwlijks opziend.
„Morgen, dokter.”
„Gaat u zitten.”
De man zag er eenigszins bleek en geëchauffeerd uit.
„En wat scheelt ’r aan, meneer?”...
„Dokter,” zei de man — naar zijn hart althans naar z’n vest tastend en een portefeuille op z’n knie depo-neerend: „ik kom van Bonk & Comp. ..”
Het woord Bonk bonkte den dokter uit zijne waarnemingen en peinzingen. Bonk & Comp. — Het zei alles. Verdere toelichtingen waren ridicuul.
„Laat u maar zitten,” zei hij onaangenaam-droog: „*t Komt me op ’t oogenblik niet gelegen .. .
„Jawel dokter,” opponeerde de man: „maar u heeft m’n patroon beloofd na ’n maand te betalen. En morgen moeten we ’n accept honoreeren — driehonderd gulden meer of minder scheelt ’n boel in dézen tijd van ’t jaar...”
„Jawel — jawel — in m’n spreekuur ben ’k niet over ’t huishouden te spreken. Komt u den eersten van de maand maar eens terug...”
„De eerste — kenne we ’r dan vast op rekene, dokter? — Heusch we zouen u niet lastig vallen — maar me patroon heeft ’t nóódig en u heeft al tweemaal ____”
„Als ’k de eérste zeg — dan is ’t de éérste....”
„Best dokter — best.. ..”
Het schelletje trrrrr-de — de patiënt ging heen.