102 Visite.
Dan na het trap-deuken, bewoog een deurkruk, scharnierde een deur — neè, de deur, de deur van de wachtkamer —, sponsden opnieuw de voeten der maagd, nu iets blij-vlugger over den cocoslooper van de bovengang.
„Meneer — daar is ’n heer...”
„In de wachtkamer gelaten?” —, informeerdeAdri-aan, vreemder van stem dan straks. Want ’n doctor pleegt er een huiskamer- èn een patiënten-stem op na te houden.
„Ja, meneer....”
„Goed, ’k zal je wel schellen....”
„Eet maar eerst af,” zei schoonmama.
„Natuurlijk,” zei Adriaan. ’n Dokter die patiënten dadelijk helpt, doet verkeerd. Je moet niemand in je kaart laten kijken.
„Nou — da’s wèl curieus,” mondvol mama sprak — ze at nu ééns zoo lekker: „zie je dat wij geluk aanbrengen?” ...
„Nou!”, lachte Adriaan.
’t Was inderdaad eene gebeurtenis. Twee maanden gelejen was-ie getrouwd — twee maanden wachtte-die op ’n f a t s o e n 1 ij k e n patiënt — d’r woonden nog twéé dokters in dezelfde straat — een op nummer 57 — een op nummer 204 en tot op vandaag had-ie behalve wat goedkoope buspatiënten, die ’s morgens van 9 tot 10 moesten komen, geen behoorlijk bezoek gehad — de kruidenier uitgezonderd die zich met *t rookvleeschmes ’n jaap in z’n duim had gegeven — èn de kruideniersvrouw uitgezonderd die door V