Visite. 101
In één woord — ’n auteur bewaart dat ééne woord altijd voor sloteffect, daar ’n roman of novelle van uitsluitend één-woorden bedenkelijk kort, weinig-spannend en kantoor-briefachtig zoude zijn, bijvoorbeeld Dumas pére met z’n betaling pér wóórd aan het krachtig éénwoord-systeem honderdduizenden francs verloren zou hebben — in één woord: schoonvader, schoonmoeder, dochter, zoon, zaten in verschrikte, kreeft-en-erwtjes-vergetene eethouding.
„Donders,” zei papa (duivels bedoelend) — aldus de eerste, die moeilijk de trrrr-suggestie verbrak —: „’r wordt gescheld”...
En alsof nu bij allen het fel-klaar moment had uitgeleefd, spraken ze bijna gelijk, met een tintje opgewekte nervositeit.
„Zou 'r ’n patiënt zijn?”, vroeg mama geheimzinnig, ineens mal-fluistrend, bang voor ’n nieuwsgierige die ’r niet was.
„’t Is vóór eenen,” zei Adriaan, z’n horloge bekijkend en haastig den hap erwtjes-en-kreeft kropslikkend.
„’ris éénmaal op ’t knoppie gedrukt,” zei Marie.
„’t A ’n patiënt,” glimlachte papa: „hoor maar.”
Weer luisterden ze, doch thans zonder de straffe gebaarloosheid van straks.
De trap kraakte met zoete deukjes van dikken looper die bestapt wordt. En achter dat rustig kluk-kluk van iemand die zich niet haast, schuifelde het pantoffelkuchen der dienstmaagd, die zelf door het verrassend geval verschuchterd geleek. Anders bonsde ze uitbundiger.