Trrrr Trrrr.....
Een fel-klaar moment hield schoonpa ’n hapje kreeft op de verstarde vork.
Z’n mond gaapte in afwachtende begroeting — z’n
oogen schuinden naar de zij van het trrrr z’n
ooren zouen zich gespitst hebben, zoo spitsing bij menschen usance en naturgemass ware.
Mama schokte zwakjes overend, de eene hand luchtig op het broodbrokje, de andre evenwichtig balan-ceerend bij het bord met de kreeftenlekkerheidjes. ’n Plat, lepelig kreeftemepje, half graat, half vleesch, dat nog geen seconde geleên haar molmige tandjes be-aaid had, lei plots — zoo niet in dolce far niente, dan toch in luistrende aandacht tusschen haar tong en haar tandvleesch —, haar wimpers wimperden knippend, haar neus hield adem in reserve.
Ik vertel dit uitvoerig en zonder éénige bijzonderheid te ontwijken, om niet alleen het fel-klare van het moment te markeeren, maar ook wijl ik voor