98 Van de koele meren.
geen kwartier meer duren of ze waren in Vlissingen. En zoo heelemaal vrij van zeeziekte, enkel omdat z’n wil gewild had. Je voelde je als ’n koning. Nou an dek gaan, ’n kop thee drinken en de aankomst zien, de aankomst die zoo verrassend mooi moest wezen, die je met een uitgerust lichaam genieten kon.
Met z’n plaid in z’n eene,’t valies in z’n andre hand, stapte hij neuriënd door het gangetje, door het eetsalon. Morgenlicht grauwde langs de patrijspoorten. En vlug tipte hij de tóch nog eenigszins zwenkende trap op. Op ’t dek liep juist de kaptein, de kust was in zicht. „Morgen, kaptein.*
„Morgen meneer”____
„Kalme overtocht geweest” —
„Overtocht?”, sprak de kaptein.
„Is dat Vlissingen?”
„Nèe meneer,” lachte de ander: „dat isQuensbo-r ough — we konden niet varen door’ngemééne mist”....
Een oogenblik keken de zéér differente naturen elkaar aan.
Toen ging de letterkundige opnieuw omlaag, de plaid in de eene, het valies in de andre hand. En opnieuw ontkleedde hij zich, opnieuw trachtte hij zichzelf te suggereeren dat-ie thuis in z’n kamer lei, dat
daar dit, ginds dat stond____
Het moet niét gebaat hebben. Althans men verhaalt dat hij zéér ontdaan arriveerde na z’n twééden tocht
over de koele meren. Die letterkundige was Doch
ik heb niet het recht indiscreet te zijn. Hij leeft en.... is een voortreflijk auteur.