Van de koele meren. 97
Eén moment knipten z’n oogleden, omdat het een weinig zuur riekte in deze onder-watersche bedstee — maar daadlijk zweeg zijn bedenken, klemden z’n lippen tezaam, zag hij levendig z’n eigen slaapkamer — z’n slaapkamer thuis — met links het nachtkastje, rechts de kleerenkast, achter het raam met de licht-flauwingen der straatlantaarn. Een ander moment, werd-ie klam-angstig bij het herzien van het dek boven en de mist — de bleeke, witte mist die de electrische booglamp in dwaze, dampende waaiingen gevat hield — de mist waarbij schepen mekander aanvoeren — de mist waarbij je inééns zinken kon,
stikkend in ’t aandruischend water Z’n gelaat spande
zich opnieuw in beradenheid. Hij zou aan niets ongewoons denken — hij lei in z’n kamer, z’n lekkere,
eigen kamer met ’t gekalkt plafond Daar stond de
kaars... daar tikte z’n ouwe horloge... een, twee____
een, twee... een, twee daar had je de gordijnfranje...
daar ’t zeil en ’t kleine karpetje daar de schoorsteen met de.... met de.... En om tien uur, vróéger stond-ie toch niet op — nou zou die is lekker lang maffen — om tien uur bracht de juffrouw de post — de brieven— de Nieuwe Rotterdammer —de — de....
Geraas wekte ’m. Suffig keek-ie rond zonder herkennen. Maar een licht getril van het schip schokte hem klaar wakker. Verbaasd keek-ie op z’n horloge. Bij half zes. En nu ineens genoeglijk uit de kooi glijend, zachtjes verheugd denkend aan het voortreflijk inzicht van z’n vriend, kleedde hij zich aan. ’t Kon
SCHETSEN VIII. 7