96 Van de koele meren.
S team er geleidde eenigszins familiaar. Zelden stooten zaken in dit leven tweemaal op dezèlfde wijze af. En ook het schip met zijn mèer vernomen geraas van stoomlieren, voetstap-gedreun, ketting-gegrol, tand-rader-gewentel, bagage-geplons, het schip met zijn dreigende schaduwen, schoorsteenen, arbeids-grommin-gen gaf de impressie van ’n ouwen bekende, een wel niet intiem en meneer, maar toch een die je niet bepaald dee ömkijken.
Het miste.
Overigens was alles gelijk.
Onze letterkundige, de plaid in de eene, het valies in de andre hand, schreed bewust naar „the left,” stapte voorbij de tafel met ’r sarrende étalage van (ditmaal) gebakken tong, roastbeaf, mutton chops, etc., etc., besprak z’n kooi en met eene zekerheid van wil die hem eenigermate verbaasde, was hij binnen een paar minuten aan zijn toilet bezig. Z’n valies haakte hij aan de deur, z’n plaid spreidde hij over het bed, z’n horloge wond hij op. Toen trok hij jas, colbert, vest uit, regelmaatte alles zooveel doenlijk als thuis, ontknoopte z’n bretels, stroopte het overhemd over z’n hoofd, bereidde zich verder. Hier zwijgt de beschrijver terwille der voeglijkheid — ofschoon elke dochter een vader heeft en elke vader zich bed-waarts begeeft.
Onze letterkundige stapte in zijn kooi, vouwde de handen over z’n borst zo oals hij thuis deed, hurkte z’n knieën omhoog, zooals hij thuis deed, dacht aan letterkundigen arbeid zooals hij thuis deed.