94 Van de koele meren.
van kracht die er in z’n lichaam groeide. Op de commandobrug stond de kaptein. De kaptein keek over het dek, zag den ingebakerden letterkundige.
Ze zagen mekaar, die twéé zéér differente combinaties van vleesch, been, bloed, die beiden lachten, weenden etc. — en cas de besoin.
Doch na tien minuten zagen ze mekaar niét meer, daar onze literator wanklend omlaag sjokte met een gelaat zoo grauw als een klef gebakken tarwebrood ^n in weinig seconden — de wegen enkeler indisposities zijn ondoorgrondlijk — in de benarde kistjesruimte zijner kooi diep-rampzalig te kreunen lei. Kwart kip, portie ham, homp engelsche kaas, brood, kaak, boter, bier hebben bij wijlen revolutionnaire buien. Maar hier coupeer ik onmiddellijk élke op zichzelf misplaatste grap. Men grapt niet met een letterkundige die voor de éérste maal de koele meren be-stoomt.
Voor hij de terugreis aanvaardde, bang voor de .herhaling van een gruwlijken, afschuwlijken nacht — slechts zij die weten hoe hulploos, gefnoken, doorradbraakt een zeezieke zijn kan, vermogen zulks te beseffen — raadpleegde hij een vriend, dokter in medicijnen en letteren. En deze — een onderlegd man, sieraad van alle takken, links en rechts, des wetenschapplijken booms, daarenboven sterk geloover in alle suggestie-verschijnslen — hij hypnotiseerde menschen, biggen, leed zélf aan d’auto-suggestie dat hij Denker èn Dichter was — déze sprak de navolgende woorden: „Mijn vriend — uwerzijds is het eene dwaling te vermee-