86 HIJSCHBALK.
ons Bokje genaamd, was een lange, magere jongen van in de dertig met vlas-bakkebaardjes, bleek gezicht, sterk wellende jukbeenderen. Hij droeg een bril met stalen montuur, leek nooit recht gezond, had althans doorloopend blauwe lippen. Bokje was schilder. In zijn jonge jaren onderscheidde hij zich als klerk op een assurantiekantoor. Later werd hij schilder. Hij schilderde landschappen, stillevens, portretten, dieren, genrestukjes, trachtte daarvan te leven.
Dat zou hem ook wel gelukt zijn: waarom niet? — er kunnen nog héél wat kunstenaars een broodje verdienen aan deze kunstminnende burgerij, die om den drommel geen half werk verricht bij het inrichten van salonnetjes, eetzalen enz. — maar Bokje had een zwak voor overdadige ateliers. Ik bedoel daarmee dat hij zich geen schilder gevoelde, als hij niet zat in een behoorlijk ge-mise-en-sceneerd atelier, liefst een dat er van buiten atelier-achtig uitzag, een atelier waarvan voorbijgangers konden zi en dat het een atelier was, niet een romantisch-verborgen onder dakpannen, niet een ergens in een achterbuurt, nee, een atelier, wat je duidelijk atelier noemt, waarbij geen sprake is van meeningverschil.
Ik kende Bokje het eerst toen hij atelier-de in de Pijp. Daar had hij een atelier boven een stal, een atelier zóó groot, dat je niet wist waar Bokje zat als je binnenkwam. Want hij was daarenboven een groot liefhebber van rommel. Zijn atelier in de Pijp had hij zeker een maand „bewerkt”, bewerkt met eerbiedwekkend geduld. Om niet van de collectie lappen te spreken, die aan de wanden gespijkerd waren, had hij de balkenzoldering geheel beplakt met papier van één kleur, welken arbeid ik minstens op een paar weken taxeerde. Dat z’n uitstallingen van vuiligheid, die hij bij uitdragers opkocht: verroeste pistolen, ouwe sabels, potten,