RIJSCHBALK. 87
koperwerk. Alles bij elkaar rangschikte hij nèt zoo lang tot ’t hem beviel, tot de boel artistie k-s lorei i g was, tot het atelier er traditioneel uitzag: papieren in een hoek, ’n trophee, stukjes Smyrnaasch, matten.
Maar van huis-uit volkomen correct, assurantie-klerk, die zooveel jaren in cijfers gegriebeld heeft en met liniaal gewerkt, dee het s 1 ordig-artistieke hèm geen bijzonder genoegen. Zoo maakte hij zijn atelier schoon, stofte zijn étalages, maar herplaatste alles kunstmatig-slordig, precies op dezelfde afstanden en wanneer vrinden iets in d’r handen genomen hadden en ’t zoo maar neergezet, was’them een gruwel, zou hij nooit weggaan voor alles weer op de plaats stond, al leek die plaats dan een willekeurige. Eerst in de nooit gevarieerde mise-en-scène, met het schijnbaar rommelig décor, kon hij werken.
Van de Pijp verhuisde Bokje tweemaal. Zijn ateliers bevielen hem niet. Als hij in de Parkstraat de inrichtingen zag van Bastert, Muller, Israëls — dat wil zeggen de huisgevels waaraan je zoo duidelijk zien kon dat er ateliers waren — had hij ’t land, voelde hij zich minderwaardig. Het atelier dee ’t ’m. Zoo geschiedde het dat hij op zekeren dag wéér verhuisde en ditmaal voor goed. Eindelijk had hij een atelier in een deftige straat, groot, ruim, goed van licht, atelier dat oorspronkelijk gebouwd was voor een photograaf. Ik voel mij gedrongen dit huis te beschrijven. Het was een hoekhuis met twee heerenwoningen aan de eene zijde, dus ook twee deuren. De andere zijde had één deur die naar het vier-hooge photo-graphen-atelier leidde.
Het was een modern huis, dus een prul. Overmaat van cementen potsierlijkheidjes omkrulden de groote nisramen. Bij de eene voordeur was een steen met inscriptie Eerste steen gelegd door